Wat een smaedt moet ik om u lijden

Notaris Cornelis Staal

'Onder het storten van traenen' bekende dienstmeid Anna Beulders aan haar werkgevers dat zij zwanger was en daarom de afgelopen tijd zo moe en bleek had gezien. Dit was vrij ernstig, als weduwe was dit kind overduidelijk buitenechtelijk verwekt. Dit kon een behoorlijke aanslag hebben op de eer en reputatie van Anna en kon daarmee grote gevolgen hebben voor haar dagelijkse leven. Een zwaarwegende zaak, want een goede eer was van groot belang in de achttiende eeuw, zo ook in Amsterdam. Dit zal Anna ook beseft hebben, na drie verwoede pogingen bij notaris Cornelis Staal en vermoedelijk nog bij andere notarissen heeft Anna geprobeerd haar eer te redden door ook de vader van het kind erbij te halen. Anna weigert in haar eentje op te draaien voor deze situatie.

De 32-jarige Anna Beulders werkte als dienstmaagd in de zomer van 1750 in de Keijzerskroon op de Brouwersgracht. Anna bekende aan de notaris dat op een zekere avond, de dag kon zij zich niet meer precies heugen, haar meester geen wijn meer had. Een kwalijke zaak, dus Anna werd op stap gestuurd om de wijnvoorraad weer aan te vullen. Bij alleen wijn halen bleef het die avond echter niet. Buurman Willem Spijk bood deze avond dan ook aan om mee te gaan met het halen van flessen wijn uit zijn werkhuis. Eenmaal daar genoten ze eerst samen van een fles wijn, waarna hij 'zijn wil met haar hadt gedaan.' Dit ritueel herhaalde zich een paar keer, met een zwangerschap als gevolg. Zo stelde Anna in een attestatie dat Willem 'aldaer [in de wijnkelder] met haer onbehoorlijke dingen hadt gepleegd & van hem beswangert was.'

Het werken valt haar zwaar tijdens de zwangerschap. Daar kwam ook nog eens bij dat Willem haar zei dat ze de zwangerschap zo lang mogelijk geheim moest houden. Als hij op een dag bij haar in de Keijzerskroon op bezoek komt vraagt hij haar: 'wel Naetje lieff wat scheeldt er aan' waarop Anna antwoorde: 'Dat weet je wel dat ik met mijn dikke lijff zoo moet werken mij swaer valt'. Willem zegt hier vervolgens op dat Anna maar moet proberen het zo lang mogelijk vol te houden, hij wist namelijk wel hoe hij deze situatie zou oplossen. Anna kan de situatie echter niet langer geheimhouden en barst tegenover haar werkgevers in tranen uit en biecht alles op. Hiermee kwam het geheim naar buiten dat Anna als ongetrouwde vrouw zwanger was, weliswaar van een getrouwde man.

Tijdens de zwangerschapsperiode is Anna ingetrokken in een kamer van de heer Jan Coenraad Cling en zijn vrouw op de Haarlemmerdijk. Het kind dat hier uit avond tussen Anna en Willem in de wijnkelder voortkomt, is een zoontje genaamd Willem. Dat Willem echt wel de vader moet zijn van deze kleine spruit, beaamt niet alleen zijn naam maar ook de vroedvrouw die 'haer in baerensnood zijnde afgevraegt, wie de vader van het kindt was.'

De vroedvrouw was heel belangrijk in het vaststellen van een buitenechtelijke zwangerschap. Indien zij vermoedde dat het kind in kwestie buitenechtelijk en dus 'onecht' zou zijn, dan moest de vroedvrouw verplicht na vragen wie de vader van het kind was. De verklaring van de moeder werd vervolgens onder eed afgelegd. Gedurende haar barensnood verklaart Anna meerdere keren dat Willem Spijk daadwerkelijk de vader is van kleine Willem. Zo betuigt ze: 'met niemandt anders te doen gehadt te hebben.' Willem weigert echter om uit te komen voor het feit dat hij met Anna een affaire heeft gehad, haar bezwangerd heeft en daarmee vader is van de kleine Willem. Zijn reden voor deze weigering was dat hij 'geen falsiteijt te willen begaen.'

''Spijk Spijk wat smaet heb ik om u geleeden en in wat een elend ben ik nu gebragt.''

Anna probeert Willem zijn vaderlijke plichten nog eens duidelijk te maken door hem wel degelijk als vader op het doopregister te laten zetten. Als reden van zijn afwezigheid bij de doop van kleine Willem stelt Anna dat de vader op zee was en daarom niet aanwezig was bij de doop. Het werd echter al snel duidelijk dat Willem zich snel uit de voeten had gemaakt en weigerde toe te geven dat hij een buitenechtelijk kind had en daarmee overspel had gepleegd. 'Naetje lieff' was hem blijkbaar niet zo lief, want zijn reputatie en eer waren vele malen belangrijker. Dat Willem toch wel iets van schuld voelt blijkt uit het feit dat hij via ene meneer Klok een bedrag van 60 gulden betaalt voor eer en kraam van Anna.

Anna laat zich echter niet omkopen en verscheidende bezoeken aan notarissen volgen in een periode van ruim een jaar na de geboorte van haar zoon. Ze kreeg ook steun uit de gemeenschap; de moeder van meneer Cling en zijn vrouw gingen samen met Anna driemaal naar notaris Cornelis Staal met nog eens andere getuigen om te verklaren dat Willem Spijk daadwerkelijk de vader was van haar pasgeboren kindje en hem 'in zijn rechten te ageeren.' Ze stelt te zijn afgewezen, misleid en bedrogen door Willem. Of het ook daadwerkelijk gelukt is om Willem zover te krijgen om zijn zoon te accepteren, blijkt niet uit de aangetroffen akten. Dat ze echter spijt heeft van deze affaire blijkt wel uit haar volgende woorden:

'Spijk Spijk wat smaet heb ik om u geleeden en in wat een elend ben ik nu gebragt.'

Anne Sits is student geschiedenis en is stagiair bij Alle Amsterdamse Akten. Zij doet onderzoek naar eer.

Tags

18e eeuwzwangerschapbuitenechtelijke relatiesHoofdofficier
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen